Samara en Naours van 24 tot 26 juni 2005

 

Donderdag, 23 juni 2005.

 

We vertrekken om 15.30 uur. Het is warm in de auto, maar we klagen niet. We gunnen ons een dagje meer. 250 Km voor twee nachten te slapen vinden we toch veel. We volgen zo lang mogelijk de tolvrije autostrade, daarna genieten we de luxe van een mooie op en neer gaande secundaire weg waarlangs industrie en weidse akkerbouw elkaar afwisselen. In de verte zie ik drie zware machines naast elkaar de toppen van een groene begroeiing afplukken. Benieuwd als we zijn stoppen we vlakbij het gewas en zien dik gevulde erwtenpeulen aan lage struiken. Verwonderd over zo’n vroege oogst rijden we terug de baan op. Rond 21 uur vinden we het genoeg en zien een geschikte plaats om te overnachten. Een zuivere kleine parking bij een monument van de grote oorlog. Willen of niet , hier wordt je er met de neus op gedrukt. Oorlogskerkhoven alom. Op grote borden kun je de gevechtslinie volgen. Heel Frankrijk door en een klein stukje België. Een overmacht aan Duitsers tegenover Franse, Britse en Canadese soldaten. En ons werd op school alleen de slag aan de Yser ingeprent alsof 14-18 zich uitsluitend dáár afspeelde. Het dorp is zoals vele één en al oorlogsverleden indachtig.

Het is nu 22.45 uur en we genieten van de koele avondlucht. Enkele meters vóór onze auto wipt een konijntje het grasveld over, hoe onschuldig toch.

 

Vrijdag, 24 juni 2005.

 

In de vroege morgen wordt het aangenamer in bed. Alles is wat afgekoeld. Lang slapen is anders onze gewoonte niet. Vóór ons ontbijt doe ik een toertje met mijn fotoapparaat. Als ik achteloos een verfrommeld papier uit het mooie gazon de vuilbak in kieper hoor ik plots handengeklap en “bravo ,  bravo” roepen. Een flinke zeventiger onder strooien hoed komt op mij afgestapt. Een lange babbel over het Duitse afweer, Canadese soldaten, telefoonverbindingen en honderdduizenden doden volgt. Op het einde verneem ik nog dat hij in een transportbedrijf werkzaam was. Hij bootst feilloos “Aantwaarpe “na. Een aangename man. Met een warme handdruk nemen we afscheid. Jos die ons van in de verte bezig zag vraagt zich af hoe ik mijn luttel Frans hanteerde. Ze heeft wat gemist.

Na de middag vertrekken we naar Amiens, 34 km. verder.De weg gaat over heuvelig gebied. Ronde punten en dorpskernen houden onze snelheid in bedwang. Terwijl de thermometer binnen  35° aanwijst brengt de navigator ons op de aangeduide parking uit mijn boekje. We stappen langs de schaduwzijde van de straten de stad binnen en bezoeken alle kerken en de kathedraal, wat een rijkdom. Anderzijds heeft de prijslijst van de vele eetgelegenheden ook onze interesse. Doenbaar vinden we, maar we doen het niet. Terug naar de auto. Terwijl Jos met de voeten in een kommetje water zit  frist een korte douche mij voor een paar minuten op. Om aan de hitte te ontsnappen rijden we verder, op zoek naar een luchtig plaatsje om te eten. In een bloemenrijk dorpje kunnen we genieten van schaduwrijke bomen. Voorbijgangers kijken verrast door de open venster naar onze gedekte tafel. We zijn al ingeburgerd, stokbrood met een fles wijn, toch nog wennen. En nu is het tijd om op de afspraak te verschijnen. Als we de parking van het domein “Samara” in La Chaussée- Tirancourt oprijden is het al 18.30 u.  De meeste collega’s zijn al op post en verwachten ons seffens met glas en stoeltje voor een klapke. De mooie lange avond  eindigt met een flinke regenbui. Enkele doorbijters nestelen zich onder grote regenschermen dicht bij elkaar en vinden het blijkbaar plezant.

 

Zaterdag. 25 juni 2005.

 

Om 7.30 uur zitten we aan tafel. Het is nog stil buiten als ik mij aan een toerke waag. De zon is terug van de partij. Deze voormiddag bezoeken we een arboretum en een botanische tuin. Vele gewassen die we thuis onverwijld weg hakken genieten hier een unieke verzorging. Spijtig ontbreekt de naam van sommige planten. Lavendel en distels , twee uitersten staan dicht naast elkaar. Terwijl anderen tientallen foto’s nemen ben ik op zoek naar de uitgang. In de cafetaria trakteren we onszelf op een fris drankje. Na de middag met zijn allen naar het prehistorisch park. Een galante gids excuseert zich voor zijn onkunde van het Nederlands. Zijn voornemen wat trager te spreken is van  korte duur. We doorlopen de hele prehistorie .De manier van jagen op wild zien we stelselmatig evolueren.  Bewapening en verdediging is van alle tijden. We krijgen een demonstratie van vuur maken. De man oogst applaus als een plukje droog gras na een rookontwikkeling in de vlammen opgaat. De speer krijgt ook een beurt. Als doel ligt er een dikke rol hooi te wachten. Elke worp treft zijn doel. Een origineel systeem van de verlengde arm is duidelijk efficiënt. Een pottenbakker is met zijn attributen geïnstalleerd in een open gebouwtje en toont ons het verschil tussen potten opbouwen met geknede worstjes leem en het vormen op een horizontale draaitafel. Het lijkt kinderspel als de man na enkele minuten een mooi gevormde pot met een soepele draad los snijdt van zijn tafel. Geïnteresseerd schuiven we een groot gebouw binnen. Een replica, opgetrokken uit hout en leem met een strooien zadeldak. Verschillende gezinnen vonden er onderdak. De rook van een gemeenschappelijk vuur ontsnapte door grote openingen onder de nok. In de open luxekamer zorgden houten planken op de aangestampte grond voor een summiere isolatie tegen vocht en koude.Aanneembaar dat ten tijde van, de gemiddelde leeftijd beneden de veertig jaar lag.

Na een rondgang in een gelijkaardige tentoonstelling stappen we terug naar de parking waar we rond 17.00 uur samen vertrekken naar Naours ”La Cité Souterraine”. Ons konvooi berijdt prachtige wegen. Ik hou mij in het gezichtsveld van de chauffeur achter mij op gevaar af mijn voorganger uit het oog te verliezen. Als een soepele elastiek rekt de sliert uit om daarna weer te krimpen. We komen ongeschonden toe op onze tweede slaapplaats.

Om 19.00 uur zitten we in het restaurant, klaar voor ons etentje. Het kan ook de sfeer zijn maar zo’n vooraf besteld menu is ons nog nooit tegengevallen, dito vandaag, we genieten er van.

 

Zondag, 26 juni2005.

 

Vandaag nog een bezoek aan de onderaardse stad. Iedereen staat paraat, voorzien van iets warmere kledij om de ondergrondse 9° temperatuur aan te kunnen. Enkelen geven hun korte broek niet prijs. Aan de ingang wordt ons aantal geteld en daar gaan we dan, betonnen treden naar – 30 meter. We voelen de temperatuur dalen in de amper verlichte trapholte. Bij het eerste oponthoud prutst de gids wat aan een radio- cassettespeler tot een Nederlandstalige stem een uitleg begint over de site. Met uitvoerige gebaren wijst onze voorganger stilzwijgend de onderwerpen aan waarover wordt gesproken. Dat lijkt mij een simpele en goedkope oplossing bij gebrek aan een aangepaste gids. Ik zal zeker onthouden dat een rechtszaal met bijhorend gevang, een kapel en  een hospitaal niet ontbreken. Als iemand opmerkt geen toilet te zien moeten we het stellen met “in de stallen tussen de dieren”. Stel je voor, het was hier leefbaar voor 300 personen. Och arme die dieren. Enkele verticale luchtkokers zorgden voor frisse lucht. Dat lijkt mij een tegennatuurlijke opdracht. Uit strategisch oogpunt zag men het nut in doodlopende gangen waar men de vijand kon verrassen. Als ik mij tracht te verplaatsen naar die bewoners toe krijg ik koude rillingen of is het door die 9° ? Als we terug in open lucht komen overvalt de warmte ons. Nog wat rondneuzen in de souvenirwinkel en naar de auto. Er vormt zich snel een alsmaar uitdijende kring voor de afsluiting van het weekend.

Vrijwilligers draven rond met fruitsap of zoutjes. De nodige kwinkslagen passeren de revue. De inrichters worden in de bloemetjes gezet door de voorzitter. Beseffend dat we mee mogen profiteren van hun inspanningen verlaten we dankbaar het toneel.

Nu nog allemaal een veilige rit naar huis en tot weerzien.